Ger Camp (Numac): “Ook hier is nog een land te winnen”

Magazines | Noord-Limburg Business nr 3 2006

Ger Camp (Numac):

“Ook hier is nog een land te winnen”

Numac (hoofdkantoor in Venray) is totaalaanbieder van onderhoud aan productielijnen. Al in 1984 legde directeur Ger Camp samen met een partner de basis voor het succesvolle bedrijf, dat inmiddels zo’n zeshonderd werknemers telt en vestigingen in het hele land (en een paar erbuiten) heeft. Vier daarvan bevinden zich in Limburg. Noord Limburg Business sprak met Camp uiteraard over Numac, maar meer nog over ondernemen in Noord-Limburg.

| | noord limburg | BUSINESS|

| interview | Numac | met: ger camp | juni 2006 |

Numac begon ruim twee decennia geleden in een klein werkplaatsje. Daaromheen vonden wat detacheringactiviteiten plaats, al stond detachering in die tijd nog in de kinderschoenen. “In het begin werkten we vooral regionaal, maar door de jaren heen hebben we ons als een olievlek verspreid”, vertelt Camp. “Inmiddels bestaat Numac uit zestien vestigingen in Nederland en nog eens twee in Duitsland en België en is er één in aanmaak in Tsjechië.” Eind jaren negentig werd besloten om de activiteiten te gaan splitsen. Camp: “We haalden de machinebouw eruit en hebben dat apart gezet. We besloten Numac voortaan te profileren als totaalaanbieder van het onderhoud. We doen onderhoud aan productielijnen, technisch onderhoud, werktuigkundig onderhoud en we doen dat eigenlijk altijd op locatie bij de klant.” Dat werk wordt gedaan door vakkundige monteurs die klanten tevens advies kunnen geven. “Bovendien hebben we software geschreven die klanten helpt met hun onderhoudsbeheer”, legt Camp uit. Het draait daarbij vooral om efficiency: hoe kunnen machines het best worden ingezet en hoe voorkom je problemen aan diezelfde machines? Repareren voordat het kapot is, dáár gaat het om bij Numac.

Noord-Limburg en Duitsland

Numac levert haar diensten in verschillende landen. “Maar in Nederland is het wel veel verder gevorderd dan in bijvoorbeeld Duitsland”, vertelt Camp. “Daar moeten ze echt nog wennen aan deze manier van werken. Ze zijn daar nog gewend het vooral allemaal zelf te doen. Dat zit nu eenmaal in de cultuur. Wat de baas zegt wordt zo snel mogelijk uitgevoerd. Ze zijn er nog een beetje behoudend in, maar die markt is wel aan het openbreken.” Een mooie uitdaging voor Numac dus. “Ik heb zelfs een cursus ‘Omgaan met Duitsers’ gevolgd en als je dat eenmaal allemaal door hebt dan is het prettig zakendoen in Duitsland”, zegt Camp. “We zitten hier precies naast Nordhein-Westfalen, een gebied dat even groot is als Nederland en zelfs meer inwoners telt. Als je het kunstje hier kunt doen, dan kun je het daar natuurlijk nog een keer herhalen.” Camp vindt sowieso dat er voor veel Noord-Limburgse ondernemers nog een wereld te winnen valt in Duitsland. “Er wordt denk ik nog te weinig gebruik van gemaakt. Als je van hieruit werk moet gaan doen naar de Randstad dan ben je heel veel tijd kwijt, dus lijkt het me logisch de zogenaamde ‘Euregio’ zo goed mogelijk te benutten. We hebben in Limburg een fantastisch gebied, met een mooie infrastructuur, weinig files en een gigantische markt. Als Limburger kun je dus fantastisch zakendoen. In de media wordt nogal eens gesproken over ‘het balkon van Europa’. Dit is een gebied waar elke randstedeling eigenlijk jaloers op zou moeten zijn. Je moet je alleen even interesseren in de Belgen en de Duitsers, maar dan gaat er ook een wereld voor je open. Soms wordt gezegd dat Duitsers in het zakendoen afstandelijk zijn, maar als je als Nederlander probeert daar met de juiste attitude naar toe te gaan dan wordt je met open armen ontvangen. Ik vind het dan ook een fantastisch volk, eerlijk waar.”

Afstandelijk

Het ondernemersklimaat in de regio Venray ervaart Camp als prettig. “Al is het wel zonde dat we veel industrie verliezen doordat bedrijven ervoor kiezen hun productie naar Oost-Europa of China te verleggen. Ik vind het ook zonde voor de jeugd die zegt ‘ik kies niet voor een Hbo-opleiding, maar wil beroepsgericht bezig zijn’. Ze krijgen hier minder mogelijkheden omdat er veel industrie vertrokken is. Vroeger hadden we bijvoorbeeld bij iedere MTS vier opleidingen MTS Werktuigbouwkunde. Nu krijg je met veel pijn en moeite één klas vol.” Camp vermoedt dat het iets is dat in heel Nederland wel enigszins speelt, maar wat zou er nu aan gedaan kunnen worden? “Werkgevers en werknemers zouden meer met elkaar moeten praten. Wat vinden we interessant? Ik vind het ook raar dat we in Nederland nog geen Minister van Industrie hebben. Je kunt wel zeggen dat Nederland een kennisland moet worden, maar als je niks hebt om die kennis op uit te proberen, wat dan?” Camp vindt sowieso dat de relatie tussen ondernemers en de overheden vaak wel wat beter zou kunnen, hoewel het lang niet slecht is volgens hem: “Het is soms nog wat afstandelijk en zou best wat warmer mogen. Misschien moeten we ons wat meer voor elkaar interesseren om vervolgens samen het tij te keren. Ik weet ook wel dat het als ondernemer interessant is om naar China te gaan en vreselijk veel geld te gaan verdienen, maar ook hier ligt nog een heel land te winnen denk ik dan.”

Bedrijfsschool

Om de industrie een impuls te geven wil Camp samen met enkele andere bedrijven een bedrijfsschool gaan opzetten. “Als Numac – en dat geldt ook voor de andere bedrijven – moet je oppassen dat je niet opnieuw het wiel uitvindt en daarom moet je hierin met elkaar samenwerken”, legt hij uit. “Bedrijfsscholen hebben natuurlijk veel ervaring, weten hoe ze zoiets moeten organiseren, hoe ze cursusboeken moeten maken en ze kunnen de juiste docenten aanstellen. Wij bieden daarbij dan stageplaatsen aan zodat de leerlingen ook alvast aan de praktijk kunnen snuffelen. Dat zou echt schitterend zijn en naar dat soort oplossingen zijn we dan ook op zoek.” Het plan staat nog in de kinderschoenen, maar Camp vertelt er al enthousiast over: “Een andere impuls is hierbij ook dat de techniek door de jaren heen een stuk schoner is geworden. Het krijgt een wat positiever imago en de techniek zelf is gecompliceerder dan vroeger en is daarmee voor veel mensen interessanter geworden. Daardoor krijg je wellicht toch meer mensen die in de techniek verder grootgebracht willen worden. Samen met de technische scholen kunnen de ondernemers hen dan een alternatief bieden.”

Toekomst

Volgens Camp is wellicht het typische aan veel Limburgse ondernemers dat ze over het algemeen best wat meer voor zichzelf op zouden mogen komen. “Nu is hier de opvatting vaak dat ‘de overheid dit en dat maar moet regelen’, maar ik denk dat we misschien vaker dingen zelf met elkaar moeten regelen. ‘Limburg is erg smal, dus sla vooral je vleugels uit en denk internationaal’ is mijn opvatting dan. Dat moeten we ook nog meer leren. Het voordeel van de ligging moet nog beter ontdekt worden. Het is toch fantastisch om zo’n buurland te hebben wanneer je het ook nog eens goed benut? Ik las bijvoorbeeld dat Duitsland voor honderd miljard euro aan machines heeft geëxporteerd, daar moeten voor ons dan toch kansen liggen? Daar moet gewoon meer mee gebeuren.” De toekomst voor Noord-Limburg als ondernemersregio ziet Camp positief in. “Noord-Limburg ontwikkelt zich iets beter dan Midden- en Zuid-Limburg, twee regio’s die nog meer gelaten acteren. Dat zit ‘m denk ik vooral in het feit dat we hier tegen Brabant aanliggen en ook de A73 heeft veel invloed hier. Bovendien hebben we hier met Venlo een sterke logistieke stad met uitstraling.” Ook ziet Camp het wel gebeuren dat meer bedrijven over de landsgrenzen gaan kijken: “Dat gaat wel meer gebeuren ja. De jaren van doemdenken – ‘alles gaat weg naar Azië waardoor we hier een beetje vergeten zijn te produceren’- zijn achter de rug en veel ondernemers gaan zich toch wat meer op andere landen richten. Dat raad ik de ondernemers ook aan. Kijk eerst nog eens goed naar wat er in de nabije omgeving allemaal mogelijk is alvorens naar Azië te gaan.”

Meer informatie over Numac is te

vinden op www.numac.nl

| juni 2006 | met: ger camp | Numac | interview |

Numac begon ruim twee decennia geleden in een klein werkplaatsje. Daaromheen vonden wat detacheringactiviteiten plaats, al stond detachering in die tijd nog in de kinderschoenen. “In het begin werkten we vooral regionaal, maar door de jaren heen hebben we ons als een olievlek verspreid”, vertelt Camp. “Inmiddels bestaat Numac uit zestien vestigingen in Nederland en nog eens twee in Duitsland en België en is er één in aanmaak in Tsjechië.” Eind jaren negentig werd besloten om de activiteiten te gaan splitsen. Camp: “We haalden de machinebouw eruit en hebben dat apart gezet. We besloten Numac voortaan te profileren als totaalaanbieder van het onderhoud. We doen onderhoud aan productielijnen, technisch onderhoud, werktuigkundig onderhoud en we doen dat eigenlijk altijd op locatie bij de klant.” Dat werk wordt gedaan door vakkundige monteurs die klanten tevens advies kunnen geven. “Bovendien hebben we software geschreven die klanten helpt met hun onderhoudsbeheer”, legt Camp uit. Het draait daarbij vooral om efficiency: hoe kunnen machines het best worden ingezet en hoe voorkom je problemen aan diezelfde machines? Repareren voordat het kapot is, dáár gaat het om bij Numac.

Noord-Limburg en Duitsland

Numac levert haar diensten in verschillende landen. “Maar in Nederland is het wel veel verder gevorderd dan in bijvoorbeeld Duitsland”, vertelt Camp. “Daar moeten ze echt nog wennen aan deze manier van werken. Ze zijn daar nog gewend het vooral allemaal zelf te doen. Dat zit nu eenmaal in de cultuur. Wat de baas zegt wordt zo snel mogelijk uitgevoerd. Ze zijn er nog een beetje behoudend in, maar die markt is wel aan het openbreken.” Een mooie uitdaging voor Numac dus. “Ik heb zelfs een cursus ‘Omgaan met Duitsers’ gevolgd en als je dat eenmaal allemaal door hebt dan is het prettig zakendoen in Duitsland”, zegt Camp. “We zitten hier precies naast Nordhein-Westfalen, een gebied dat even groot is als Nederland en zelfs meer inwoners telt. Als je het kunstje hier kunt doen, dan kun je het daar natuurlijk nog een keer herhalen.” Camp vindt sowieso dat er voor veel Noord-Limburgse ondernemers nog een wereld te winnen valt in Duitsland. “Er wordt denk ik nog te weinig gebruik van gemaakt. Als je van hieruit werk moet gaan doen naar de Randstad dan ben je heel veel tijd kwijt, dus lijkt het me logisch de zogenaamde ‘Euregio’ zo goed mogelijk te benutten. We hebben in Limburg een fantastisch gebied, met een mooie infrastructuur, weinig files en een gigantische markt. Als Limburger kun je dus fantastisch zakendoen. In de media wordt nogal eens gesproken over ‘het balkon van Europa’. Dit is een gebied waar elke randstedeling eigenlijk jaloers op zou moeten zijn. Je moet je alleen even interesseren in de Belgen en de Duitsers, maar dan gaat er ook een wereld voor je open. Soms wordt gezegd dat Duitsers in het zakendoen afstandelijk zijn, maar als je als Nederlander probeert daar met de juiste attitude naar toe te gaan dan wordt je met open armen ontvangen. Ik vind het dan ook een fantastisch volk, eerlijk waar.”

Afstandelijk

Het ondernemersklimaat in de regio Venray ervaart Camp als prettig. “Al is het wel zonde dat we veel industrie verliezen doordat bedrijven ervoor kiezen hun productie naar Oost-Europa of China te verleggen. Ik vind het ook zonde voor de jeugd die zegt ‘ik kies niet voor een Hbo-opleiding, maar wil beroepsgericht bezig zijn’. Ze krijgen hier minder mogelijkheden omdat er veel industrie vertrokken is. Vroeger hadden we bijvoorbeeld bij iedere MTS vier opleidingen MTS Werktuigbouwkunde. Nu krijg je met veel pijn en moeite één klas vol.” Camp vermoedt dat het iets is dat in heel Nederland wel enigszins speelt, maar wat zou er nu aan gedaan kunnen worden? “Werkgevers en werknemers zouden meer met elkaar moeten praten. Wat vinden we interessant? Ik vind het ook raar dat we in Nederland nog geen Minister van Industrie hebben. Je kunt wel zeggen dat Nederland een kennisland moet worden, maar als je niks hebt om die kennis op uit te proberen, wat dan?” Camp vindt sowieso dat de relatie tussen ondernemers en de overheden vaak wel wat beter zou kunnen, hoewel het lang niet slecht is volgens hem: “Het is soms nog wat afstandelijk en zou best wat warmer mogen. Misschien moeten we ons wat meer voor elkaar interesseren om vervolgens samen het tij te keren. Ik weet ook wel dat het als ondernemer interessant is om naar China te gaan en vreselijk veel geld te gaan verdienen, maar ook hier ligt nog een heel land te winnen denk ik dan.”

Bedrijfsschool

Om de industrie een impuls te geven wil Camp samen met enkele andere bedrijven een bedrijfsschool gaan opzetten. “Als Numac – en dat geldt ook voor de andere bedrijven – moet je oppassen dat je niet opnieuw het wiel uitvindt en daarom moet je hierin met elkaar samenwerken”, legt hij uit. “Bedrijfsscholen hebben natuurlijk veel ervaring, weten hoe ze zoiets moeten organiseren, hoe ze cursusboeken moeten maken en ze kunnen de juiste docenten aanstellen. Wij bieden daarbij dan stageplaatsen aan zodat de leerlingen ook alvast aan de praktijk kunnen snuffelen. Dat zou echt schitterend zijn en naar dat soort oplossingen zijn we dan ook op zoek.” Het plan staat nog in de kinderschoenen, maar Camp vertelt er al enthousiast over: “Een andere impuls is hierbij ook dat de techniek door de jaren heen een stuk schoner is geworden. Het krijgt een wat positiever imago en de techniek zelf is gecompliceerder dan vroeger en is daarmee voor veel mensen interessanter geworden. Daardoor krijg je wellicht toch meer mensen die in de techniek verder grootgebracht willen worden. Samen met de technische scholen kunnen de ondernemers hen dan een alternatief bieden.”

Toekomst

Volgens Camp is wellicht het typische aan veel Limburgse ondernemers dat ze over het algemeen best wat meer voor zichzelf op zouden mogen komen. “Nu is hier de opvatting vaak dat ‘de overheid dit en dat maar moet regelen’, maar ik denk dat we misschien vaker dingen zelf met elkaar moeten regelen. ‘Limburg is erg smal, dus sla vooral je vleugels uit en denk internationaal’ is mijn opvatting dan. Dat moeten we ook nog meer leren. Het voordeel van de ligging moet nog beter ontdekt worden. Het is toch fantastisch om zo’n buurland te hebben wanneer je het ook nog eens goed benut? Ik las bijvoorbeeld dat Duitsland voor honderd miljard euro aan machines heeft geëxporteerd, daar moeten voor ons dan toch kansen liggen? Daar moet gewoon meer mee gebeuren.” De toekomst voor Noord-Limburg als ondernemersregio ziet Camp positief in. “Noord-Limburg ontwikkelt zich iets beter dan Midden- en Zuid-Limburg, twee regio’s die nog meer gelaten acteren. Dat zit ‘m denk ik vooral in het feit dat we hier tegen Brabant aanliggen en ook de A73 heeft veel invloed hier. Bovendien hebben we hier met Venlo een sterke logistieke stad met uitstraling.” Ook ziet Camp het wel gebeuren dat meer bedrijven over de landsgrenzen gaan kijken: “Dat gaat wel meer gebeuren ja. De jaren van doemdenken – ‘alles gaat weg naar Azië waardoor we hier een beetje vergeten zijn te produceren’- zijn achter de rug en veel ondernemers gaan zich toch wat meer op andere landen richten. Dat raad ik de ondernemers ook aan. Kijk eerst nog eens goed naar wat er in de nabije omgeving allemaal mogelijk is alvorens naar Azië te gaan.”

Meer informatie over Numac is te

vinden op www.numac.nl

| BUSINESS | noord limburg | |

Ger Camp, foto: Lé Giesen

Venlo en Venray hoog in misdaadmeter

In de jaarlijkse landelijke Misdaadmeter (gepubliceerd door het Algemeen Dagblad) zijn Venlo en Venray flink gestegen. Venlo steeg van plek 36 naar plek 15 en Venray ging van 41 naar 18. Voornaamste reden daarbij is de enorme stijging van het aantal woninginbraken. Roermond staat op plaats vier in de lijst. De stijging is het gevolg van een toegenomen aantal woninginbraken (plus 47,5 procent), auto- en motordiefstallen, winkeldiefstallen en straatovervallen. Opvallend is dat van de drie veiligste gemeenten in Limburg er wel twee in deze regio liggen. Dat zijn namelijk Meerlo-Wanssum en Meijel.

NLW neemt deel aan project

Een kleine veertig werknemers van sociale werkplaats NLW Groep nemen deel aan een bijzonder project in Venray. Ze zijn aan het werk bij logistiek bedrijf ND. Daar worden ze begeleid door personeel van de NLW Groep zelf, dat bij ND een eigen ruimte heeft. De NLW Groep verwacht via de nieuwe werkwijze dit jaar nog eens zeventig tot tachtig moeilijk bemiddelbare mensen aan de slag te helpen. De werkplaats voert daarover onderhandelingen met grote werkgevers in Sevenum en Helden. Door ook de begeleiders bij de opdrachtgever te stationeren, neemt de sociale werkplaats de vrees weg dat opdrachtgevers zelf voor de begeleiding van de werknemers moeten zorgen. Het is het streven van de NLW Groep om éénderde van de 1200 werknemers buiten de werkplaats aan werk te helpen. De aantrekkende economie, waardoor extra banen ontstaan, komt de sociale werkplaats hierbij gelegen.

Venray krijgt subsidie van de Provincie

De gemeente Venray krijgt van de Provincie Limburg €10.000,- subsidie uit het Leefbaarheidsfonds. Deze subsidie gebruikt de gemeente voor aanpassingen aan het gemeenschapshuis De Linde in Oirlo. Het gemeenschapshuis in Oirlo moet voldoen aan de huidige eisen van brandveiligheid. Daarom moeten er diverse aanpassingen verricht worden aan het gemeenschapshuis. Daarnaast wordt de versleten inventaris vervangen, komt er een fietsenstalling en vindt achterstallig groot onderhoud plaats. De ingang van het gemeenschapshuis wordt toegankelijk gemaakt voor mensen met een beperking en in het gerenoveerde gebouw komt een pinautomaat. In de toekomst hoopt het bestuur van gemeenschapshuis De Linde er een eetpunt voor ouderen te realiseren. Gedeputeerde Vrehen zegt dat het gemeenschapshuis een cruciale rol vervult in het gemeenschapsleven van het dorp Oirlo, (ongeveer 1200 inwoners), zeker nadat in de loop van de jaren veel voorzieningen uit Oirlo zijn verdwenen. Om deze cruciale rol te blijven vervullen moeten er echter aanpassingen plaatsvinden. Vandaar dat de provincie besloten heeft een Leefbaarheidsfondssubsidie toe te kennen. Zodoende kan deze belangrijke voorziening die als waarborg voor de leefbaarheid dient in deze kleine kern, gehandhaafd blijven.

Provincie reserveert e15,4 miljoen voor ISV-projectgemeenten

Gedeputeerde Staten hebben in totaal € 15,4 miljoen gereserveerd voor projecten die bijdragen aan het verbeteren van de leefbaarheid in de dorpen. Het geld is afkomstig uit de rijksregeling Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV), die de Provincie voor de projectgemeenten uitvoert. Het gaat hierbij om projecten die op meerdere doelen inspelen. Alle projecten sluiten aan bij het beleidsthema ‘Vitale kernen en buurten’. De gemeenten hebben hun projecten op het gebied van leefbaarheid en stedelijke vernieuwing voor de periode van 2005-2009 ingediend bij de Provincie. Aan de hand daarvan heeft de Provincie een selectie gemaakt van kansrijke projecten. Selectiecriteria hierbij zijn de inhoud van de projecten en de vraag of er sprake is van een financieel knelpunt. Het geld dat door de Provincie is gereserveerd (er is nog geen sprake van concrete toekenning) moet worden besteed aan fysieke maatregelen in de bestaande bebouwde omgeving. Te denken valt aan plannen voor senioren- en zorgwoningen, winkelvoorzieningen, brede scholen en zorgvoorzieningen. Maar ook kwaliteitsverbetering van de openbare ruimte, verkeersveiligheid en bodem- en geluidssanering krijgen aandacht. In totaal komen er (inclusief reserveprojecten) 1350 woningen, waarvan ruim duizend nultredenwoningen, zeven brede scholen en elf multifunctionele accommodaties. In negen gemeenten worden zorgvoorzieningen gerealiseerd, in tien gemeenten het winkelaanbod versterkt en in acht gemeenten vervuilde bodem gesaneerd. Circa 180 woningen worden geïsoleerd tegen verkeerslawaai. Gedeputeerde Herman Vrehen: “Ten opzichte van de vorige periode van het stedelijk vernieuwingsbeleid willen we in deze periode een nog intensievere samenwerking met de gemeenten. Samen met gemeenten optrekken en ze assisteren bij de planoptimalisatie (zowel qua planinhoud, proces als financiële planopzet). Dit traject moet vervolgens leiden tot een definitief plan, waarin zowel de gemeente, betrokken marktpartijen en Provincie zich goed kunnen vinden. De definitieve hoogte van de subsidie baseren we op de uitgewerkte plannen.” Aan de ISV-programmagemeenten (Brunssum, Kerkrade, Landgraaf, Roermond, Venray en Weert) is verleden jaar al in totaal € 19,2 miljoen toegekend. De rechtstreekse gemeenten Heerlen, Maastricht, Sittard-Geleen en Venlo hebben van VROM een totaal bedrag van € 51,1 miljoen toegekend gekregen. Het betreft hier de ISV-component van het totale budget voor de stedelijke vernieuwing in de rechtstreekse gemeenten.

| business news | juni 2006 |