Forum: Exposure van Bedrijfspanden

Magazines | Noord-Limburg Business nr 1 2009

Exposure van

bedrijfspanden

In deze uitgave van Noord Limburg schenken we aandacht aan de binnen- en buitenkant van bedrijfspanden. Zeven bedrijven die op verschillende manieren te maken hebben met onderhoud en inrichting van bedrijfspanden en bedrijventerreinen komen aan het woord over het belang van de corporate identity. Dit forum wordt gehouden in de Kasteeltuinen Arcen. Het fraaie, historische kasteel staat in een groene, inspirerende omgeving en heeft een geheel eigen sfeer. Hier wordt aandacht geschonken aan alle facetten, zowel in als rondom de locatie.

Dat is ook waar de eerste stelling van het forum over gaat, over de exposure, de identiteit van het bedrijfspand: Corporate Identity houdt op bij de voorgevel. Hiermee wordt bedoeld dat daar meestal wel aandacht voor is aan de buitenkant van het gebouw en bij de ingang, maar daarna is die identiteit vaak niet meer terug te zien. Dick Evers bijt de spits af en zegt dat hij deze stelling kan aanvechten. Zijn relaties gaan vaak juist heel diep op dat gebied. “Voor een van mijn klanten hebben we zelfs een ‘bijbel’ geschreven over hoe het gehele interieur eruit moet zien. Ook zijn alle kantoren in het buitenland, bijvoorbeeld in Polen, Bulgarije en Engeland, volgens die ‘bijbel’ ingericht. Daar staan tot in de kleinste details de materialen, de kleuren en de producten beschreven. Er is aandacht voor buiten en binnen, voor heel veel facetten.” Theo Zegers merkt op dat het dan toch wel om een behoorlijk bedrijf met een behoorlijke omzet moet gaan. “Ik kan me voorstellen dat een bedrijf met bijvoorbeeld tien medewerkers daar heel anders tegenaan kijkt.”

Belang van uitstraling

Gerard van Rijn vervolgt de discussie: “Als je kiest voor een Corparate Identity of imago, dan betekent het dat je iets wilt uitstralen naar de buitenwereld, naar je doelgroep.” Het geeft aan dat de doelgroep voor een ondernemer uit twee groepen bestaat; aan de ene kant de klantenkring of prospects, en aan de andere kant ook het personeel. “Dus als je alleen aan de voorgevel uitstraalt wat je bent -je bedrijfscultuur, je visie enzovoorts- en aan de binnenkant zou je dat niet meenemen, dan loop je toch ergens tegen een probleem op. Als je bij wijze van spreken nieuwe klanten uitnodigt en je ontvangt ze bij de receptie, maar daarna zien ze een heel ander uiterlijk, achterstalling onderhoud of kantoren die niet efficiënt zijn ingericht, dan gaan klanten toch nadenken of ze wel met dat betreffende bedrijf in zee willen gaan. Hetgeen ik meemaak bij de bedrijven waar ik kom, is dat over het algemeen de buitenkant correspondeert met de binnenkant. Dat kan in positieve en in negatieve zin zijn. Dus als het aan de buitenkant verouderd is, dan is het binnen meestal ook verouderd.” André Huisman kijkt naar het budget. “Bij een nieuwbouw of verhuizing, dan zit dat eigenlijk in het pand zelf, en op een gegeven moment moet dat ook ingericht worden.” Hij zegt dat als er voldoende budget is, de identiteit wel terug te vinden is, maar soms wordt er voor gekozen om de oude meubelen te plaatsen. “Die inrichting komt dan later wel een keer aan de beurt, maar nu even niet.” Hij ziet ook een ander belangrijk verschil: “Het maakt ook uit of er veel bezoek komt of juist niet.” Pierre de Klein vindt dat hij de spijker op de kop slaat. “Budget is belangrijk, men koopt het pand aan en maakt een begroting. Pas op het laatst wordt de binnenhuisarchitect uitgenodigd.” Corporate Identity eindigt dan toch vaak bij de entree en de spreekkamers. Evers is het daar niet mee eens: “Wij worden vaak al voor de aanschaf van het pand ingeschakeld.” Volgens Jan Nelissen ligt het ook een beetje aan de branche waarin het bedrijf werkzaam is. “Als je bijvoorbeeld naar winkels kijkt, dan zie ik vaak het tegenovergestelde. Als ik in steden kom, dan zien de winkelpuien er soms allerbelabberdst uit, terwijl de inrichting supermooi is.” Huisman merkt op dat dat vaak gehuurde panden zijn. Nelissen: “Ja, maar daar wordt dan veel te weinig aandacht aan besteed. Je moet je stad aantrekkelijk houden, wil je klanten trekken.” Zegers zegt dat je je kunt afvragen of het wel zo belangrijk is dat het allemaal gelikt uitziet. “Ik denk dat als het opgeruimd, schoon en goed verzorgd is -of het nou oud of nieuw is- dat dat de uitstraling maakt van je bedrijf. Dat vertaalt zich door in de uitvoering en in hoe je mensen werken. Als dat goed geregeld is, dan straal je dat naar de klant uit.” Hij geeft een voorbeeld van een klant die opmerkte dat als hij bij Gunhoek in de bedrijfsauto kijkt, dan weet hij hoe ze werken. Het gaat om de eerste indruk. “En dat werkt ook voor bedrijfspanden.” Van Rijn sluit af met: “You never get a second chance for a first impression.”

De omgeving

Bij de fysieke uitstraling van een pand is er nauwelijks aandacht voor het terrein zelf. Er zou niet alleen aandacht voor het logo moeten zijn, maar ook voor parkeerplaatsen, afvalcontainers, de fietsenstalling et cetera. Zegers zegt dat het zeer wisselend is of er veel aandacht is voor de omgeving van het pand of niet. “Je merkt dat bedrijven waar relatief veel mensen werken, dat daar vaak veel aandacht wordt besteed aan de buitenkant. Maar de grote bouwdozen, dat is vooral veel steen en weinig franje. In mijn werk komt naar voren, dat daar waar vrij veel groen voorkomt, dat daar ook een prettige werksfeer is. Maar sommigen hebben alleen maar vierkante dozen en daaromheen bestrating. Dat heeft een heel andere uitstraling.” De Klein geeft aan dat het ook afhankelijk is van de locatie. “Je kunt wel zeggen dat je een groot parkeerterrein wilt met veel begroeiing, maar als je midden in de stad zit, dan is dat natuurlijk heel moeilijk.” Ook Huisman vindt dat de locatie een rol speelt: “Als je kijkt naar een nieuwbouwproject, hoe mooi en hoe schoon dat is, daar staan echt geen oude vuilnisbakken buiten. Daar staan de auto’s allemaal netjes op een rij geparkeerd. Ik kan me voorstellen, als je in een gehuurd bedrijvenpand zit, dat je dan minder invloed hebt op de buitenkant. Maar ondernemers die in een eigen pand zitten, hebben het meestal wel aardig voor elkaar aan de buitenkant.” Van Rijn denkt dat daar ook wel een taak voor de overheid ligt om oude bedrijventerreinen te revitaliseren. “Want dat schept werkgelegenheid op dit moment. En als een bedrijventerrein er netjes uitziet, dan neigt een ondernemer of eigenaar er ook wel naar om zijn pand aan te passen aan de omgeving, zodat het niet uit de toon valt. Dus ik denk dat daar vanuit de overheid wel wat meer initiatief genomen mag worden.”

MVO

Als het gaat om MVO, dan wil Van Rijn daarover wel wat zeggen. “Ik vind dat een hot item. De komende jaren gaan ook MKB-ondernemers daar steeds meer van merken.” Hij vertelt dat bekend is gemaakt dat de overheden vanaf 2010-2015 steeds meer alleen nog maar bij bedrijven die voldoen aan bepaalde verplichtingen van MVO orders gaan plaatsen. “Dat betekent dan ook dat je niet alleen maar een certificaat hebt, maar ook dat het gebouw en het bedrijfsterrein daarmee in overeenstemming zijn.” Ook Huub Brinkman merkt dat bedrijven steeds meer aandacht aan MVO schenken en bijvoorbeeld meer met milieuvriendelijke producten werken.

Van Rijn vergelijkt het met lichaamstaal. “Wanneer je met iemand in gesprek bent, heb je verbale en non-verbale communicatie. Uitstraling van je pand is eigenlijk de non-verbale communicatie die je hebt. Als die niet in overeenstemming is met datgene wat je zegt, dan heeft een (potentiële) klant of een medewerker dat direct in de gaten, want zoals bekend heeft non-verbale communicatie vijf keer zoveel impact als verbale communicatie. Het kan dan behoorlijk in je nadeel werken. Als je bijvoorbeeld met een potentiële klant in onderhandeling bent, en vertelt over de efficiëncy en open bedrijfscultuur van het bedrijf en vervolgens ziet hij allemaal kleine gangen en kleine vertrekken, dan past dat niet bij het verhaal wat je net gehouden hebt.”

Compromis

Als je geen nieuwbouwpand kan of wil bouwen, is het betrekken van een bestaand pand altijd een compromis met de Corporate Identity. Een van de mogelijkheden is om het bestaande pand in de kleuren van het bedrijf te schilderen. De vraag is of dat voldoende is. Brinkman: “Ik denk het wel. Als je naar eenheid streeft, kan kleur voldoende zijn. Dan hoeft dat niet heel duur te zijn, je kunt het helemaal naar eigen wens invullen.” Hij heeft wel het idee dat veel oude panden niet meer voldoen aan de huidige eisen. “Bijvoorbeeld als het gaat afvalstoffen en aanverwante zaken, zoals asbesthoudende daken en dergelijke.” Nelissen: “Gebouwen zijn, zoals dat heet, functioneel en economisch verouderd. En dan kunnen ze nog goed zijn, maar ze voldoen dan niet meer.” Zegers is van mening dat daar wat moet gebeuren. “Vaak is het verstandiger om te slopen en opnieuw te ontwikkelen, dan maar voort te borduren op de oude situatie.”

Evers: “Je moet een gebouw eerst gaan classificeren en dan kijken wat je ermee kunt. Je hoeft het niet klakkeloos allemaal af te breken. Die logistieke hallen, daar heb je misschien niets aan. Als je kijkt naar Noorderpoort Venlo, waar Frans Maas gevestigd was, dat is nu plat.” De Klein: “Daar komt het gebouw van de Rabobank.” Het is een voorbeeld van de keuze tussen slopen of renoveren: het is economisch niet meer haalbaar om te renoveren en dan kan het beter gesloopt worden.

Het forum wordt afgesloten met de vraag: ‘Wat kan een bedrijf doen om meer exposure te genereren?’ De deelnemers geven de volgende Tips & Tricks:

• Streef naar eenheid.

• Waak over het imago. Ben je een bepaalde weg ingeslagen en heb je daar een goed gevoel bij, probeer dat dan te continueren.

• Zorg dat het bedrijf er netjes uitziet.

• Aandacht voor eenheid, kwaliteit. Heb je iets nieuws, stem het dan meteen

af op de rest.

• Zorg voor overeenstemming tussen

binnen en buiten, het moet kloppen.

• Heb aandacht voor creativiteit, zeker in de huidige markt. Je moet op dit moment eigenlijk met wat nieuws komen, met nieuwe ideeën om je relatie zover te

krijgen dat hij met je in zee gaat.

• Dat wat je hebt, moet je goed

gepoetst houden.

• Let op de details, daar kun je

veel in winnen.

De deelnemers:

• Jan Nelissen –

Van Kempen Makelaars

• Dick Evers – Koekoek BV

• Gerard van Rijn – Stratinno

• P.H.P. Geerlings –

Aqua Master Cleaning

• Pierre de Klein –

Aqua Master Cleaning

• Huub Brinkman jr. –

H. Brinkman Schilderwerken BV

• André Huisman –

RIN Kantoorefficiency

• Theo Zegers –

Gunhoek Groenvoorzieningen

Dat is ook waar de eerste stelling van het forum over gaat, over de exposure, de identiteit van het bedrijfspand: Corporate Identity houdt op bij de voorgevel. Hiermee wordt bedoeld dat daar meestal wel aandacht voor is aan de buitenkant van het gebouw en bij de ingang, maar daarna is die identiteit vaak niet meer terug te zien. Dick Evers bijt de spits af en zegt dat hij deze stelling kan aanvechten. Zijn relaties gaan vaak juist heel diep op dat gebied. “Voor een van mijn klanten hebben we zelfs een ‘bijbel’ geschreven over hoe het gehele interieur eruit moet zien. Ook zijn alle kantoren in het buitenland, bijvoorbeeld in Polen, Bulgarije en Engeland, volgens die ‘bijbel’ ingericht. Daar staan tot in de kleinste details de materialen, de kleuren en de producten beschreven. Er is aandacht voor buiten en binnen, voor heel veel facetten.” Theo Zegers merkt op dat het dan toch wel om een behoorlijk bedrijf met een behoorlijke omzet moet gaan. “Ik kan me voorstellen dat een bedrijf met bijvoorbeeld tien medewerkers daar heel anders tegenaan kijkt.”

Belang van uitstraling

Gerard van Rijn vervolgt de discussie: “Als je kiest voor een Corparate Identity of imago, dan betekent het dat je iets wilt uitstralen naar de buitenwereld, naar je doelgroep.” Het geeft aan dat de doelgroep voor een ondernemer uit twee groepen bestaat; aan de ene kant de klantenkring of prospects, en aan de andere kant ook het personeel. “Dus als je alleen aan de voorgevel uitstraalt wat je bent -je bedrijfscultuur, je visie enzovoorts- en aan de binnenkant zou je dat niet meenemen, dan loop je toch ergens tegen een probleem op. Als je bij wijze van spreken nieuwe klanten uitnodigt en je ontvangt ze bij de receptie, maar daarna zien ze een heel ander uiterlijk, achterstalling onderhoud of kantoren die niet efficiënt zijn ingericht, dan gaan klanten toch nadenken of ze wel met dat betreffende bedrijf in zee willen gaan. Hetgeen ik meemaak bij de bedrijven waar ik kom, is dat over het algemeen de buitenkant correspondeert met de binnenkant. Dat kan in positieve en in negatieve zin zijn. Dus als het aan de buitenkant verouderd is, dan is het binnen meestal ook verouderd.” André Huisman kijkt naar het budget. “Bij een nieuwbouw of verhuizing, dan zit dat eigenlijk in het pand zelf, en op een gegeven moment moet dat ook ingericht worden.” Hij zegt dat als er voldoende budget is, de identiteit wel terug te vinden is, maar soms wordt er voor gekozen om de oude meubelen te plaatsen. “Die inrichting komt dan later wel een keer aan de beurt, maar nu even niet.” Hij ziet ook een ander belangrijk verschil: “Het maakt ook uit of er veel bezoek komt of juist niet.” Pierre de Klein vindt dat hij de spijker op de kop slaat. “Budget is belangrijk, men koopt het pand aan en maakt een begroting. Pas op het laatst wordt de binnenhuisarchitect uitgenodigd.” Corporate Identity eindigt dan toch vaak bij de entree en de spreekkamers. Evers is het daar niet mee eens: “Wij worden vaak al voor de aanschaf van het pand ingeschakeld.” Volgens Jan Nelissen ligt het ook een beetje aan de branche waarin het bedrijf werkzaam is. “Als je bijvoorbeeld naar winkels kijkt, dan zie ik vaak het tegenovergestelde. Als ik in steden kom, dan zien de winkelpuien er soms allerbelabberdst uit, terwijl de inrichting supermooi is.” Huisman merkt op dat dat vaak gehuurde panden zijn. Nelissen: “Ja, maar daar wordt dan veel te weinig aandacht aan besteed. Je moet je stad aantrekkelijk houden, wil je klanten trekken.” Zegers zegt dat je je kunt afvragen of het wel zo belangrijk is dat het allemaal gelikt uitziet. “Ik denk dat als het opgeruimd, schoon en goed verzorgd is -of het nou oud of nieuw is- dat dat de uitstraling maakt van je bedrijf. Dat vertaalt zich door in de uitvoering en in hoe je mensen werken. Als dat goed geregeld is, dan straal je dat naar de klant uit.” Hij geeft een voorbeeld van een klant die opmerkte dat als hij bij Gunhoek in de bedrijfsauto kijkt, dan weet hij hoe ze werken. Het gaat om de eerste indruk. “En dat werkt ook voor bedrijfspanden.” Van Rijn sluit af met: “You never get a second chance for a first impression.”

De omgeving

Bij de fysieke uitstraling van een pand is er nauwelijks aandacht voor het terrein zelf. Er zou niet alleen aandacht voor het logo moeten zijn, maar ook voor parkeerplaatsen, afvalcontainers, de fietsenstalling et cetera. Zegers zegt dat het zeer wisselend is of er veel aandacht is voor de omgeving van het pand of niet. “Je merkt dat bedrijven waar relatief veel mensen werken, dat daar vaak veel aandacht wordt besteed aan de buitenkant. Maar de grote bouwdozen, dat is vooral veel steen en weinig franje. In mijn werk komt naar voren, dat daar waar vrij veel groen voorkomt, dat daar ook een prettige werksfeer is. Maar sommigen hebben alleen maar vierkante dozen en daaromheen bestrating. Dat heeft een heel andere uitstraling.” De Klein geeft aan dat het ook afhankelijk is van de locatie. “Je kunt wel zeggen dat je een groot parkeerterrein wilt met veel begroeiing, maar als je midden in de stad zit, dan is dat natuurlijk heel moeilijk.” Ook Huisman vindt dat de locatie een rol speelt: “Als je kijkt naar een nieuwbouwproject, hoe mooi en hoe schoon dat is, daar staan echt geen oude vuilnisbakken buiten. Daar staan de auto’s allemaal netjes op een rij geparkeerd. Ik kan me voorstellen, als je in een gehuurd bedrijvenpand zit, dat je dan minder invloed hebt op de buitenkant. Maar ondernemers die in een eigen pand zitten, hebben het meestal wel aardig voor elkaar aan de buitenkant.” Van Rijn denkt dat daar ook wel een taak voor de overheid ligt om oude bedrijventerreinen te revitaliseren. “Want dat schept werkgelegenheid op dit moment. En als een bedrijventerrein er netjes uitziet, dan neigt een ondernemer of eigenaar er ook wel naar om zijn pand aan te passen aan de omgeving, zodat het niet uit de toon valt. Dus ik denk dat daar vanuit de overheid wel wat meer initiatief genomen mag worden.”

MVO

Als het gaat om MVO, dan wil Van Rijn daarover wel wat zeggen. “Ik vind dat een hot item. De komende jaren gaan ook MKB-ondernemers daar steeds meer van merken.” Hij vertelt dat bekend is gemaakt dat de overheden vanaf 2010-2015 steeds meer alleen nog maar bij bedrijven die voldoen aan bepaalde verplichtingen van MVO orders gaan plaatsen. “Dat betekent dan ook dat je niet alleen maar een certificaat hebt, maar ook dat het gebouw en het bedrijfsterrein daarmee in overeenstemming zijn.” Ook Huub Brinkman merkt dat bedrijven steeds meer aandacht aan MVO schenken en bijvoorbeeld meer met milieuvriendelijke producten werken.

Van Rijn vergelijkt het met lichaamstaal. “Wanneer je met iemand in gesprek bent, heb je verbale en non-verbale communicatie. Uitstraling van je pand is eigenlijk de non-verbale communicatie die je hebt. Als die niet in overeenstemming is met datgene wat je zegt, dan heeft een (potentiële) klant of een medewerker dat direct in de gaten, want zoals bekend heeft non-verbale communicatie vijf keer zoveel impact als verbale communicatie. Het kan dan behoorlijk in je nadeel werken. Als je bijvoorbeeld met een potentiële klant in onderhandeling bent, en vertelt over de efficiëncy en open bedrijfscultuur van het bedrijf en vervolgens ziet hij allemaal kleine gangen en kleine vertrekken, dan past dat niet bij het verhaal wat je net gehouden hebt.”

Compromis

Als je geen nieuwbouwpand kan of wil bouwen, is het betrekken van een bestaand pand altijd een compromis met de Corporate Identity. Een van de mogelijkheden is om het bestaande pand in de kleuren van het bedrijf te schilderen. De vraag is of dat voldoende is. Brinkman: “Ik denk het wel. Als je naar eenheid streeft, kan kleur voldoende zijn. Dan hoeft dat niet heel duur te zijn, je kunt het helemaal naar eigen wens invullen.” Hij heeft wel het idee dat veel oude panden niet meer voldoen aan de huidige eisen. “Bijvoorbeeld als het gaat afvalstoffen en aanverwante zaken, zoals asbesthoudende daken en dergelijke.” Nelissen: “Gebouwen zijn, zoals dat heet, functioneel en economisch verouderd. En dan kunnen ze nog goed zijn, maar ze voldoen dan niet meer.” Zegers is van mening dat daar wat moet gebeuren. “Vaak is het verstandiger om te slopen en opnieuw te ontwikkelen, dan maar voort te borduren op de oude situatie.”

Evers: “Je moet een gebouw eerst gaan classificeren en dan kijken wat je ermee kunt. Je hoeft het niet klakkeloos allemaal af te breken. Die logistieke hallen, daar heb je misschien niets aan. Als je kijkt naar Noorderpoort Venlo, waar Frans Maas gevestigd was, dat is nu plat.” De Klein: “Daar komt het gebouw van de Rabobank.” Het is een voorbeeld van de keuze tussen slopen of renoveren: het is economisch niet meer haalbaar om te renoveren en dan kan het beter gesloopt worden.

Het forum wordt afgesloten met de vraag: ‘Wat kan een bedrijf doen om meer exposure te genereren?’ De deelnemers geven de volgende Tips & Tricks:

• Streef naar eenheid.

• Waak over het imago. Ben je een bepaalde weg ingeslagen en heb je daar een goed gevoel bij, probeer dat dan te continueren.

• Zorg dat het bedrijf er netjes uitziet.

• Aandacht voor eenheid, kwaliteit. Heb je iets nieuws, stem het dan meteen

af op de rest.

• Zorg voor overeenstemming tussen

binnen en buiten, het moet kloppen.

• Heb aandacht voor creativiteit, zeker in de huidige markt. Je moet op dit moment eigenlijk met wat nieuws komen, met nieuwe ideeën om je relatie zover te

krijgen dat hij met je in zee gaat.

• Dat wat je hebt, moet je goed

gepoetst houden.

• Let op de details, daar kun je

veel in winnen.

Boven vlnr: Gerard van Rijn, Dick Evers, André Huisman, Theo Zegers

Onder vlnr: Pierre de Klein, de heer Geerlings, Jan Nelissen en Huub Brinkman

delen:
Algemene voorwaarden